Information about http://www.justitie.nl/images/Kabinetsreactie%20op%20WRR%20rapport%2079_tcm34-125688.pdf

Kabinetsstandpunt WRR-rapport Identificatie met Nederland 1 …

Pages: 16
Language: dutch
Created: Tue Aug 19 15:25:52 2008
Display cached document
Page 1
image
Page 2
image
Page 3
image
Page 4
image
Page 5
image
Page 6
image
Page 7
image
Page 8
image
Page 9
image
Page 10
image
Page 11
image
Page 12
image
Page 13
image
Page 14
image
Page 15
image
Page 16
image
Kabinetsstandpunt WRR-rapport Identificatie met Nederland




1      Inleiding

In september 2007 heeft de WRR het rapport Identificatie met Nederland uitgebracht. Aanleiding
voor deze publicatie vormde de constatering van de raad dat het integratievraagstuk tegenwoordig
steeds meer een identiteitsvraagstuk is geworden. De WRR stelt dat in steeds bredere politieke en
maatschappelijke kringen de opvatting heerst dat integratie, naast maatschappelijke participatie,
noodzakelijkerwijs een identiteitsverandering impliceert en, daaraan gekoppeld, een verschuivende
loyaliteit van het land van herkomst naar Nederland. De raad constateert bovendien dat integratie
in toenemende mate wordt voorgesteld als een zero-sum game; van migranten wordt verwacht dat
zij zich exclusief zouden moeten "identificeren" met Nederland en afstand zouden moeten nemen
van andere banden.

De WRR plaatst vraagtekens bij de wenselijkheid en houdbaarheid van een scherpe definitie van
Nederlandse identiteit als antwoord op de roep om maatschappelijke samenhang te bevorderen en
integratie van minderheden tot stand te brengen. In deze tijd, waarin de pluriformiteit van de
maatschappij eerder toe- dan afneemt, draagt de pretentie van zo'n afgebakende nationale
identiteit er volgens de raad juist toe bij dat steeds meer groepen zich hierin niet zullen herkennen.
Daardoor ontstaat het risico van vervreemding van de Nederlandse samenleving. Het gevaar van
desidentificatie ligt op de loer. Die kan zich uiten in stilzwijgende desidentificatie, waarbij groepen
mensen zich mentaal terugtrekken uit de samenleving, en bijvoorbeeld niet meer gaan stemmen
en zich niet bemoeien met het openbare leven, maar ook in meer radicale vormen van
disidentificatie, waarbij de democratische rechtsorde niet langer wordt erkend. De nationale
identiteit, zo betoogt de WRR, is één van de vele verbindingen waarmee volwaardig lidmaatschap
van de Nederlandse samenleving tot stand kan komen. De raad pleit voor een open
identiteitsopvatting die erkent dat mensen zowel dankzij gedeelde belangen (functionele
identificatie) als gedeelde normen (normatieve identificatie) verbinding maken met elkaar en met
de samenleving.

Het kabinet ziet de ­hierboven kort samengevatte­ bijdrage van de WRR aan de discussies over
de nationale identiteit en de manieren waarop mensen zich met Nederland kunnen identificeren als
een gelegenheid om zijn visie te geven op vragen rond de Nederlandse identiteit. Het kabinet vindt
dat het een taak van de overheid is de randvoorwaarden voor mensen te scheppen om zich met
Nederland te kunnen identificeren. Het gaat dan allereerst om het borgen van de kernwaarden en -
vrijheden van de Nederlandse rechtsstaat en het stellen en handhaven van grenzen. Deze staan
immers aan de basis van het klimaat van vrijheid waarin betrokkenheid en identificatie met de
Nederlandse samenleving kunnen gedijen. Ook dient de overheid te bevorderen dat burgers over
de kennis en vaardigheden beschikken om mee te kunnen doen in de samenleving en niet worden
buitengesloten of op andere manieren belemmerd in de mogelijkheden zich te identificeren met
Nederland. Het is in de opvatting van het kabinet echter nadrukkelijk niet de taak van de overheid
voor te schrijven op welke wijze en op welke gronden mensen zich ­individueel of collectief­ met
Nederland en de Nederlandse samenleving zouden moeten identificeren.




                                                                                                      1
2         Kabinetsstandpunt

2.1       Algemeen

Het kabinet constateert dat er een verschuiving heeft plaatsgevonden in het denken over de
Nederlandse identiteit. In 1999 concludeerde de Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling nog,
en dat werd nauwelijks weersproken, dat men in Nederland weliswaar hechtte aan een nationale
identiteit, maar dan wel in gematigde vorm. Anno 2008 is het beeld diffuus. Migrantengroepen zijn
blijvend aanwezig en elementen van hun cultuur van herkomst zijn zichtbaar in de samenleving. De
Europese integratie en de toenemende verknoping van Nederland met de rest van de wereld
roepen vragen op over de nationale identiteit. Dat leidt tot een hernieuwde belangstelling voor en
een zoektocht naar wat Nederland typisch Nederland maakt.
De felheid waarmee de discussie over de Nederlandse identiteit wordt gevoerd, onderstreept de
zorgen van velen over de plaats en eigenheid van Nederland in de wereld. De terugkerende vraag
of het hebben van een dubbele nationaliteit of van andere culturele `wortels' dan wel het belijden
van de islam de identificatie met Nederland in de weg staat, illustreert de behoefte bij veel
Nederlanders aan een herkenbare culturele omgeving.

In de brief aan de Tweede Kamer van 12 oktober 20071 heeft het kabinet al zijn standpunt
neergelegd over meervoudige nationaliteit: "Nationaliteit maakt deel uit van persoonlijke identiteit.
Zij geeft het recht om zich in een land te verblijven, daar vrij rond te reizen, het actieve en passieve
kiesrecht uit te oefenen en gebruik te maken van een aantal voorzieningen. Daar staat ook een
aantal plichten tegenover, die minder van juridische, maar meer van politiek-maatschappelijke aard
zijn. Wetten en regels zijn verbonden met normen en waarden die voor iedereen die zich in
Nederland bevindt betekenis hebben. Loyaliteit en verantwoordelijkheid horen daarbij. Burgerschap
wordt verwacht van alle Nederlanders. Respect voor onze rechtsorde en de waarden waaruit zij is
opgebouwd, participatie aan die samenleving en het nastreven van politieke doelen met uitsluitend
democratische middelen, zijn daar de belangrijkste van. Deze rechten en plichten zijn essentieel
voor de vrijheid van de burgers enerzijds en het ordenen van de samenleving anderzijds. (....)
Nederlanderschap bevordert deelname aan het maatschappelijk verkeer. Meervoudige nationaliteit
hoeft daaraan niet in de weg te staan. Het zijn eerder overwegingen van praktische en juridische
aard die een beperking rechtvaardigen dan vermeende disloyaliteit. Bovendien kan het debat over
meervoudige nationaliteit waarbij loyaliteit, integratie en identiteit als scheidslijn worden
opgeworpen, uitlopen op diskwalificatie van burgers. Een meervoudige nationaliteit is voor
betrokkenen niet altijd gemakkelijk en wenselijk, maar het afstand doen daarvan evenmin. Het zou
in elk geval onjuist zijn het bezit van een tweede staatsburgerschap op te vatten als een teken dat
iemand niet goed is geïntegreerd. Waar het echt op aankomt, is immers de betrokkenheid bij de
Nederlandse samenleving en rechtsorde."

Mede om die reden acht het kabinet het ongewenst dat zich in de Nederlandse samenleving grote
groepen mensen zouden bevinden die hier permanent verblijven en geen Nederlander zouden
kunnen worden. Bij verkrijging van het Nederlanderschap moet wel aan een aantal voorwaarden
worden voldaan. Zo is bij naturalisatie het met succes afleggen van een naturalisatietoets verplicht
en voorziet het coalitieakkoord erin kennis van het Nederlands in het gehele Koninkrijk daarbij als
voorwaarde te stellen. Deze eis gaat dan ook gelden voor personen die in de Nederlandse Antillen
en Aruba worden genaturaliseerd.



1
    Kamerstukken II 2007-2008, 30166 (R 1795), nr.25, p. 2.



                                                                                                      2
Voor wie in Nederland geboren en getogen is, is identificatie met Nederland een eenvoudiger,
maar vaak ook minder bewust beleefd proces dan voor nieuwkomers die hun voetstappen ook
elders hebben liggen. Veel migranten en hun kinderen geven blijk van een sterke identificatie met
zowel Nederland en de `eigen' etnische groep in Nederland als met het land waar hun
genealogische wortels liggen.2 Dat is op zich geen probleem. Het kabinet beschouwt het als een
realiteit dat burgers meerdere identiteiten hebben, maar verwacht van hen wel verbondenheid met
en betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving. Zich buiten de samenleving opstellen of zich
daarvan afkeren is wel een probleem, en dat laat dit kabinet dan ook niet passeren. Identificatie wil
in de visie van het kabinet zeggen dat mensen verantwoordelijkheid nemen voor de samenleving
waarin zij leven. In de eerste plaats gaat het dan om het vervullen van burgerplichten, bijvoorbeeld
op het gebied van openbare orde en belastingen, net als de gezamenlijke zorg voor een leefbare
woonomgeving en het milieu. In de tweede plaats behoort het meedoen en een bijdrage leveren
aan het instandhouden van de samenleving tot de verantwoordelijkheden van wie daar deel van
uitmaakt.

Een punt van zorg is hierbij dat groepen in de samenleving worstelen met hun identiteit. Sommige
migranten, of hun (kinds)kinderen, hebben moeite zich met de Nederlandse samenleving te
identificeren, bijvoorbeeld doordat de contexten thuis en `buiten' sterk van elkaar verschillen. Een
deel van hen ondervindt ook druk en soms zelfs dwang uit het land waaruit zij afkomstig zijn. Het
ligt voor de hand dat de overheid extra inspanningen verricht om ook hen aan de Nederlandse
samenleving te binden, enerzijds door hen een helpende hand te bieden ­bijvoorbeeld door het
wegnemen van belemmeringen voor migranten om afstand te doen van de nationaliteit van het
land van herkomst­ en anderzijds door drang en dwang toe te passen als zij zich afkeren of de wet
overtreden. Maar er is nog een tweede belangrijke ontwikkeling gaande, namelijk de zoektocht
naar authenticiteit en de behoefte van een deel van de bevolking om zich meer als (nationale)
gemeenschap te manifesteren. Ook hieraan wil het kabinet tegemoet komen ­ overigens zonder
daarbij een nationalistische of uitsluitende koers te kiezen.

Het beleid waarmee het kabinet het voor alle Nederlanders en voor allen die in Nederland
verblijven eenvoudiger wil maken om zich met Nederland te identificeren, is in feite al beschreven
in het coalitieakkoord. Het WRR-rapport geeft echter aanleiding om nog eens op de
uitgangspunten van dat beleid in te gaan. Deze reactie sluit af met een overzicht van een aantal
concrete beleidsmaatregelen.


2.2    Democratische rechtsstaat als grondslag voor vrije identificatie

De kernwaarden en vrijheden waarop de Nederlandse rechtsstaat is gebaseerd, staan in de visie
van het kabinet aan de basis van het klimaat van vrijheid waarin betrokkenheid en identificatie met
de Nederlandse samenleving kunnen gedijen. Het kabinet staat voor deze kernwaarden, verdedigt
ze tegen aantasting en voert een samenbindend beleid dat mensen uitnodigt om zich met deze
waarden en vrijheden te identificeren.3 Met de wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap
wordt een verklaring van verbondenheid ingevoerd waarin de nieuwe Nederlander bij aanvaarding
van het Nederlanderschap zweert of verklaart dat hij de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der
Nederlanden, haar rechten en vrijheden respecteert en zweert of belooft dat hij de plichten die het
staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw zal vervullen.4 Hiermee wordt de verbondenheid


2
  Rotterdam Jongeren Survey 2006.
3
  Zie in dit verband ook de passages over de weerbare democratie in de kabinetsreactie op het WRR-rapport "Dynamiek in
islamitisch activisme", Kamerstukken II, 30800 VI nr. 115.
4
  27 juni 2008, Stb. 270



                                                                                                                     3
van het individu met Nederland uitgedrukt in termen die naar de mening van het kabinet voor alle
Nederlanders gelden.

In de Nederlandse opvattingen over de verhouding tussen individu en gemeenschap staat, naast
een verantwoordelijkheid van eenieder jegens de gemeenschap, de persoonlijke vrijheid en
gelijkwaardigheid van alle mensen centraal. Elk mens heeft het recht over zijn eigen lot te
beschikken en geen mens is middel in het bereiken van gemeenschappelijke doelen. Niet voor
niets is het eerste artikel van onze grondwet de bepaling die zegt dat allen die zich in Nederland
bevinden in gelijke gevallen gelijk behandeld worden. Discriminatie wegens godsdienst,
levensovertuiging, sekse of seksuele gerichtheid, politieke gezindheid, ras, of op welke grond dan
ook, is niet toegestaan.

Het respect voor de menselijke waardigheid zonder onderscheid staat aan de basis van de drie
kernwaarden die door de Commissie Uitdragen Kernwaarden van de Rechtsstaat worden
benoemd: vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit.5 Vrijheid wil zeggen dat alle mensen in
Nederland vrij zijn om te denken, te zeggen en te doen wat ze willen, maar alleen als ze daarmee
geen inbreuk maken op de vrijheid van anderen niet in gevaar brengen. Alle mensen zijn
gelijkwaardig, want de menselijke waardigheid en vrijheid van de één is niet belangrijker dan die
van de ander. Gelijkwaardigheid betekent dat er ruimte is voor verschillen tussen mensen en
verschillen in opvattingen en levensbeschouwingen. De Commissie Uitdragen Kernwaarden van de
Rechtsstaat constateert dat als kernwaarde `gelijkwaardigheid' weinig ter discussie staat, maar dat
de discussie vooral gaat over de vraag hoe deze kernwaarde moet worden ingevuld en deze zich
verhoudt tot de kernwaarde vrijheid. 6

Vrijheid kent vele aspecten. De vrijheid van meningsuiting is de basis van de omgangsvormen in
de democratische samenleving. Zonder deze vrijheid is geen open communicatie mogelijk en vindt
er geen publiek debat plaats. Vrijheid omvat ook godsdienstvrijheid en vrijheid van
levensovertuiging. Het zijn vooral deze vrijheden die sterk verbonden zijn met de vorming van een
Nederlandse nationale staat, waarbij natuurlijk moet worden erkend dat in de praktijk `afwijkende'
levensovertuigingen niet zonder meer geaccepteerd werden en dat het beginsel van
gewetensvrijheid bevochten werd ten koste van een katholieke minderheid. Vanuit deze strijd is
een traditie gegroeid van wederzijdse acceptatie. Actieve tolerantie, respect voor en respectvolle
omgang met ieders levensovertuiging, inclusief de vrijheid om van geloof te veranderen of geen
geloof (meer) aan te hangen, beschouwt het kabinet dan ook als een wezenskenmerk van de
Nederlandse samenleving.

Solidariteit is een uitdrukking van het besef dat wij als eenling niet kunnen overleven. Om samen te
leven, moeten we samenwerken ­ maar ook wie niet (volledig) kan meedoen, heeft recht op een
menswaardig bestaan. Solidariteit ligt ten grondslag aan de verzorgingsstaat, maar verplicht
evenzeer tot meedoen naar vermogen. Solidariteit gaat over het tonen van respect voor anderen,
maar brengt ook met zich het actief opkomen voor de rechten van anderen als die ernstig in het
gedrang zijn.7 Deze solidariteit blijft niet beperkt tot de eigen kring of het eigen land, maar strekt
zich uit tot potentieel alle mensen. Dit brengt met zich mee dat Nederland een actieve
gesprekspartner wil zijn in Europees verband en in alle internationale verbanden waar dat van
toepassing is, zodat het een bijdrage kan leveren aan internationaal vreedzaam leven.

5
  Onverschilligheid is geen optie. De rechtsstaat maken we samen. Advies van de maatschappelijke commissie "Uitdragen
kernwaarden van de rechtsstaat" in opdracht van de Minister van Justitie en de Minister van Binnenlandse zaken en
Koninkrijksrelaties, Den Haag, 13 februari 2008
6
  Uit: Advies van de commissie Uitdragen Kernwaarden rechtstaat (Den Haag, 2008).
7
  Uit: Advies van de commissie Uitdragen Kernwaarden rechtstaat (Den Haag, 2008).



                                                                                                                    4
Bovengenoemde kernwaarden sluiten niet altijd naadloos op elkaar aan; ze kunnen conflicten
veroorzaken en dilemma's oproepen. De democratische rechtsstaat biedt prima mechanismen om
daarmee om te gaan. Maar dat kan alleen door tegelijkertijd vast te houden aan een
ononderhandelbare kern. Dit geldt met name voor de reeds aangehaalde kernwaarden die
aangeven welk gedrag binnen de grenzen van de Nederlandse rechtsstaat past en welk gedrag
daarbuiten valt en dus onacceptabel is. Nederland heeft op dit gebied een achtenswaardige
traditie. De militaire dienstplicht erkende gewetensbezwaren, maar ook de sociale
zekerheidswetgeving biedt ruimte voor mensen die om principiële redenen niet verzekerd wilden
zijn. De Nederlandse onderwijswetgeving biedt al heel lang ruimte aan iedereen om onderwijs van
de eigen overtuiging te geven en te volgen. Het erkennen van verschil in opvattingen en
overtuigingen is diep geworteld in de Nederlandse wetgeving en heeft gezorgd voor duurzame
vreedzame verhoudingen. Beslissend is of de ruimte die mensen wordt geboden en het gedrag dat
zij vertonen, uiteindelijk acceptabel zijn binnen het geldende systeem.

Voor de Nederlandse samenleving betekent deze stellingname over de kernwaarden van de
rechtsstaat verschillende zaken:
    · De bestaande wetten en regels gelden voor iedereen die in Nederland verblijft. De
        overheid dient deze met kracht te handhaven.
    · Dit impliceert dat veel aandacht moet worden besteed aan handhaving van de regels. Om
        de vrijheid van de één tegenover de vrijheid van de ander te verdedigen is het nodig dat
        overtreding van de regels ook wordt aangepakt. Goed ontwikkelde opsporing, toezicht en
        handhaving is in ieders belang en vormt een belangrijke prioriteit voor het kabinet.
    · Wie zich in die bestaande regels, of de uitleg daarvan, niet kan vinden, heeft alle recht om
        dat uit te spreken en te proberen deze langs democratische weg te veranderen. De
        rechtsstaat zal zich echter met kracht en inzet van alle rechtsmiddelen teweerstellen tegen
        degenen die dat proberen met ondemocratische middelen.
    · De overheid consulteert de belanghebbende burgers bij het totstandbrengen van regels.
    · Bij het nemen van belangrijke besluiten wordt recht gedaan aan de diversiteit aan
        belangen en opvattingen, ook al werkt dit soms vertragend op de besluitvorming. Alleen zo
        kunnen wetten en regels een bindende factor in de samenleving zijn.
    · De overheid heeft de plicht te handelen conform de wet, en in het bijzonder de Grondwet
        en de mensenrechtenverdragen. Alleen dan zijn de vrijheden en rechten voor eenieder
        geborgd.


2.3   Nationale identiteit: een zaak van álle Nederlanders

Een belangrijke meerwaarde van het WRR-rapport is dat het aandacht vraagt voor het complexe
karakter van nationale identiteit. Nationale identiteiten worden persoonlijk ingevuld, maar
veronderstellen een collectief zelfbeeld. Identiteiten hebben een geschiedenis, komen ergens
vandaan en zijn bovendien contextgebonden. Ze winnen aan belang en vervagen weer naar
gelang de omstandigheden. Het gevoel van Nederlanderschap dat overheerst tijdens momenten
van nationale verbondenheid ­bijvoorbeeld tijdens belangrijke maatschappelijke gebeurtenissen,
tijdens grote sport- en culturele evenementen of tijdens een verblijf in het buitenland­ ebt in het
leven van alledag weer weg.
Identiteiten verbinden ons ook met de toekomst. Ze maken duidelijk wat in een veranderende
wereld niet zomaar opgegeven kan worden, maar omvatten ook ­gedeelde­ idealen en een visie
op wat nagestreefd moet worden, hoe de toekomst er uit moet zien.




                                                                                                      5
Nederlandse identiteit behoort toe aan álle Nederlanders: zij geven ieder op eigen wijze invulling
aan hun Nederlanderschap en aan wat voor hen Nederland tot Nederland maakt. Die individuele
invulling neemt niet weg dat er culturele herkenningspunten zijn die veel Nederlanders delen. Een
gemeenschappelijke identiteit is zowel een product van de geschiedenis als van een gezamenlijk
beeld van de toekomst, van gedeelde ervaringen en verhalen die iedereen kent en doorgeeft aan
volgende generaties. De kern daarvan wordt gevormd door ­uiteraard­ de Nederlandse taal en
herkenningspunten die onze geschiedenis letterlijk zichtbaar maken, zoals ons koningshuis,
burgerschapsrituelen, musea en monumenten. Maar evenzeer behoort tot die kern een historisch
zelfbeeld van een klein land dat kan bogen op een eeuwenlange strijd tegen het water, een
handelsgeest, technologisch vernuft en openheid tegenover andersdenkenden en anderslevenden.
Ten slotte bestaan de herkenningspunten ook uit culturele uitingen, uit landschappelijke en
bouwkundige kenmerken die Nederland zijn gezicht geven, en uit een schier eindeloze, zich in de
loop van de geschiedenis ontwikkelende, verzameling ongeschreven manieren en informele
gedragscodes die naar gelang de situatie op de voorgrond treden.

Vooral die alledaagse omgangsvormen, manieren, landschappelijke en bouwkundige kenmerken
bieden herkenbaarheid, geven een gevoel van wat `normaal' en vanzelfsprekend is. Voorbeelden
hiervan zijn begroetingsrituelen, maar ook kledinggewoonten, het onderhouden van de
achtertuintjes en de eetcultuur. Daarbij geldt overigens wel dat omgangsvormen en gedragscodes
vaak sterk gebonden zijn aan een bepaalde sociale context en variëren naargelang de familie- en
vriendenkring, werkomgeving, politieke partij, geloofsgemeenschap en sportvereniging waar men
in verkeert of de buurt waarin men woont. Wat in de ene situatie wordt beschouwd als
ongedwongen of gezellig, kan in een andere gelden als onbeleefd of overlast.

Gevoelens van wat `normaal' en vanzelfsprekend is bepalen mede of mensen zich wel of niet thuis
en geaccepteerd voelen in hun leefomgeving. Alleen al daarom kan de instroom van migranten ­in
de wijk, de school, de vereniging, de werkomgeving­ gepaard gaan met gevoelens van
onbehagen, verlies en zelfs onveiligheid. Deze gevoelens worden sterker naarmate het gedrag van
nieuwkomers sterker afwijkt van wat voorheen als normaal gold, en helemaal bij crimineel of ander
grensoverschrijdend gedrag. In deze omstandigheden kan de overheid niet afzijdig blijven en dient
zij in te grijpen.

Tegelijkertijd is het in een dynamische samenleving onontkoombaar dat normen veranderen en
continu worden bijgesteld: gedragingen of cultuuruitingen die vroeger niet werden geaccepteerd,
worden dat nu wel, maar kunnen evengoed weer opnieuw ter discussie worden gesteld. In de
pluriforme samenleving die Nederland van oudsher is, zijn normen en waarden voortdurend
onderwerp van vaak felle discussie. Door processen als globalisering en internationalisering is er
wel iets essentieels veranderd. De confrontatie met denkwijzen en gebruiken uit andere landen
zorgt ervoor dat normatieve kaders in een steeds hoger tempo hun vanzelfsprekendheid verliezen,
er steeds vaker ruimte wordt opgeëist voor nieuwe denkwijzen en gebruiken. Dat raakt direct aan
de grondslagen van het samenleven, en roept nieuwe, urgente vragen op.

Het debat over nationale identiteit gaat óók hierover: hoeveel ruimte is er voor nieuwe gebruiken en
denkwijzen, waar liggen de grenzen, wat is onaantastbaar? Dat debat moet worden gevoerd en
mag ook controversieel zijn. Het kabinet onderschrijft het belang van gemeenschappelijke
normvinding en een open debat waarin posities en normen duidelijk worden uitgesproken en
besproken. Discussie en debat in de media, de politiek en de rest van de samenleving zijn
essentieel voor het instandhouden van de democratie, óók wanneer extreme standpunten ter
sprake worden gebracht. Een controversieel debat betekent echter niet een respectloos debat ­



                                                                                                  6
net zomin als respect betekent dat men zwijgt om de ander niet voor het hoofd te stoten of te
mishagen. Respect betekent wel: rekening houden met gevoelens van anderen, niet nodeloos
kwetsen, kunnen incasseren en geduld hebben. Respect veronderstelt ook een realistische blik op
de eigen positie. Van nieuwkomers in de samenleving mag verwacht worden dat ze zich
aanpassen aan de daar heersende regels en algemene gebruiken. Een realistische blik is
daarnaast nodig in de ontvangende samenleving. Bijvoorbeeld in de vorm van het besef dat een
samenleving die nieuwkomers opneemt, hun ruimte moet bieden en daardoor verandert. In een
democratische rechtsstaat kan iedereen meedoen aan het vaststellen van de regels, geboden en
verboden. Juist het democratische proces, gecombineerd met de garanties van de rechtsstaat,
maakt dat mogelijk zonder dat het risico bestaat dat de kern wordt aangetast.



2.4   Binding en samenhang: verschillende wegen, gezamenlijk reisdoel

Terwijl de WRR vooral ingaat op de identificatie met Nederland door nieuwkomers en de acceptatie
van nieuwkomers als deel van de Nederlandse samenleving en van de Nederlandse identiteit, is
het kabinet van mening dat het debat over Nederlandse nationale identiteit vraagt om een ruimere
benadering, die oog heeft voor de opgave tot sociale binding tussen állen die deel uitmaken van de
Nederlandse samenleving. Doel moet zijn een samenleving tot stand te brengen waarin iedereen
zich thuis kan voelen. Dat betekent dat burgers in Nederland gezamenlijk voor de taak staan de
Nederlandse samenleving zodanig in te richten, dat zij ruimte en houvast biedt. Ruimte voor
eigenheid, vrijheid en pluriformiteit, houvast door het streven naar gemeenschappelijkheid,
zekerheid en herkenbaarheid.

Sociale samenhang, een van de zes pijlers van het kabinetsprogramma `Samen werken samen
leven', is dan ook een opgave die verder reikt dan de integratie van migranten in de Nederlandse
samenleving. De opdracht om op vreedzame wijze om te gaan met maatschappelijke
tegenstellingen, achterstanden te bestrijden en waar mogelijk mensen onderling te verbinden strekt
zich uit naar jong en oud, hoog- en laagopgeleid, gezonde mensen en mensen met beperkingen,
naar degenen die hun wortels hier al vele generaties hebben zowel als naar nieuwkomers in de
Nederlandse samenleving. Participatie, emancipatie, binding en integratie zijn sleutelwoorden voor
al deze groepen. Het kabinet stelt echter ook vast dat de integratie, identificatie en binding van
(voormalige) migranten en hun kinderen met de Nederlandse samenleving een van de dringendste
vraagstukken van deze tijd is. Sociale samenhang is immers niet denkbaar zonder de integratie
van juist deze, in omvang toegenomen, groepen in de samenleving. Om die reden is integratie een
zelfstandig doel van het kabinetsbeleid.

        Onderwijs en arbeid cruciaal voor emancipatie en verbinding
De WRR wijst op de verschillende, naast elkaar bestaande wegen die beschikbaar zijn voor het
bevorderen van binding met Nederland. Ook als mensen zich in cultureel opzicht (nog) weinig
verbonden voelen met Nederland, bieden onderwijs, arbeid en de leefomgeving belangrijke
aanknopingspunten om identificatie met Nederland te versterken en een scheidend `wij-`zij'-denken
tussen de verschillende (etnische) groepen tegen te gaan, aldus de WRR. Het kabinet is mét de
WRR van mening dat de school, de werkplek en de woonomgeving (stad, buurt of wijk) belangrijke
plekken zijn waar mensen de binding met de Nederlandse samenleving kunnen ervaren en
versterken. Onderwijs en arbeid bieden mensen bij uitstek aangrijpingspunten zich te verbinden
met anderen over de grenzen van hun primaire (groeps)identiteiten heen. Zeker op school en in
het werk komen ze immers regelmatig en langdurig op een vanzelfsprekende manier met elkaar in
contact, werken ze samen op basis van wederzijdse afhankelijkheid en tellen hun individuele



                                                                                                7
capaciteiten meer dan statusverschillen of groepsgebonden (etnische) identiteiten. Onder die
omstandigheden kunnen mensen elkaar gemakkelijker beoordelen als individu in plaats van als lid
van een groep, en hun stereotyperingen over elkaar bijstellen. In de huidige ontzuilde, op prestatie
gerichte samenleving vormen werk en scholing steeds belangrijkere bronnen van (persoonlijke)
zingeving, maatschappelijke stijging en sociale contacten. Ofwel: onderwijs en werk zijn voor velen
bij uitstek domeinen waar doelen, normen en emoties samenvallen en kansen liggen voor
identificatie met de samenleving.

Bovendien vormen school en werkplek belangrijke plaatsen van culturele overdracht van de
formele normen en al die ongeschreven manieren en informele gedragscodes die zo nauw
verweven zijn met de Nederlandse context en met de manieren waarop in Nederland met
diversiteit wordt omgegaan.

Onderwijs en arbeid bieden ten slotte ook mogelijkheden voor identificatie op een indirectere
manier. Wanneer door scholing en werk de sociaal-economische positie van mensen verbetert,
stijgt hun maatschappelijk aanzien, hebben zij meer grip op hun leven, een robuustere identiteit en
zijn er betere voorwaarden om het ontstaan van scheidslijnen tussen groepen te voorkomen,
sociale segregatie te verminderen en samenhang en binding te bevorderen. Het kabinet doet een
appèl op alle burgers om mee te doen in de samenleving op basis van wederzijdse acceptatie en
gelijkwaardigheid. Van álle burgers wordt verlangd dat zij een plaats verwerven in de samenleving
door een opleiding te volgen en afmaken, een inkomen te verwerven en de verantwoordelijkheid te
nemen voor de opvoeding van hun kinderen. Van nieuwkomers wordt óók verwacht dat zij de taal
leren en zich verdiepen in het reilen en zeilen van de Nederlandse samenleving. En van
autochtone Nederlanders wordt verwacht dat zij de inspanningen van nieuwkomers op waarde
schatten en open staan voor mensen met een andere etnische, culturele of levensbeschouwelijke
achtergrond die mee willen doen in de samenleving.8

         Buurt, wijk en stad: proeftuinen voor identificatie met de samenleving
Ondanks het feit dat een combinatie van ontwikkelingen (toegenomen mobiliteit,
internationalisering, de verspreiding van ICT en de individualisering) bepaalde groepen minder
afhankelijk heeft gemaakt van sociale contacten en voorzieningen in hun directe leefomgeving,
ontlenen veel mensen nog altijd een zekere binding aan de buurt of stad waarin zij wonen. Het
kabinet is zich bewust van het belang van stedelijke identificatie. Voor migranten kan de stad of
buurt een identificatiekader vormen dat eenvoudiger te combineren is met loyaliteitgevoelens met
het land van herkomst.

In een aantal wijken ­veelal in de grote steden­ is de samenstelling van de bevolking ingrijpend
veranderd en de leefbaarheid sterk onder druk komen te staan. Er is sprake van een verlies van
herkenningspunten voor de oorspronkelijke bewoners, afkalvende sociale binding en sociale
controle en toenemende onveiligheid, wantrouwen en fricties tussen bevolkingsgroepen, overlast
door hangjongeren en crimineel gedrag. Hierdoor voelen mensen zich vaak onveilig, mijden ze
contacten in de buurt of trekken zich terug achter de voordeur. Het kabinet heeft deze problematiek
hoog op de politieke agenda gezet via het programma `Veiligheid begint bij Voorkomen'9 en het
Actieplan Krachtwijken.10 De aanpak van het kabinet moet ertoe leiden dat deze wijken weer
omgevormd worden tot vitale woon-, werk- en leefomgevingen, waarmee mensen zich kunnen
identificeren en zich zo weer betrokken gaan voelen bij de Nederlandse samenleving.

8
  Integratienota 2007-2011, Kamerstukken II 2007-2008, 31268, nr.1, p.5.
9
  Kamerstukken II 2007-2008, 28684, nr. 119
10
   Integratienota 2007-2011, Kamerstukken II 2007-2008, 31268, nr.1.



                                                                                                    8
In de volgende paragraaf zal een aantal beleidsmaatregelen en beleidsvoornemens de revue
passeren die de persoonlijke identificatie van mensen met Nederland versterken. Maatschappelijke
emancipatie door onderwijs, meedoen door werk, en opgroeien en wonen in een stimulerende,
veilige leefomgeving vormen de pijlers van het integratiebeleid van dit kabinet. In de Integratienota
2007-2011: Zorg dat je erbij hoort! heeft het kabinet zijn eigen visie ontwikkeld op het beleid dat
hiervoor nodig is.



3       En wat doet de overheid?

3.1    Een veilige leefomgeving als voorwaarde

Het kabinet staat voor een samenleving waarin mensen zich veilig en vertrouwd voelen. Veiligheid
is een voorwaarde voor mensen om zich met hun woon- en leefomgeving te kunnen identificeren.
Het veiligheidsbeleid, en in het bijzonder het programma Veiligheid begint bij Voorkomen richt zich
op het tegengaan van agressie en geweld ­waaronder huiselijk en eergerelateerd geweld­ en de
aanpak van overlast en verloedering. Het levert hiermee een positieve bijdrage aan de
identificatiemogelijkheden die mensen ter beschikking staan.11 Het kabinet kiest daarbij voor een
persoonsgerichte aanpak om de criminaliteit en overlast terug te dringen. Soms betekent dit dat
een harde aanpak nodig is, bijvoorbeeld wanneer iemand door blijft gaan met het plegen van
delicten of overlastgevend gedrag. In andere gevallen volstaan maatregelen die gericht zijn op het
bewerkstelligen van een positieve binding met de samenleving, zoals scholing of gerichte
arbeidstoeleiding. In het licht van de hier besproken problematiek is het van grote betekenis dat de
Tweede Kamer zich in ruime meerderheid positief betoonde over dit beleid. Doelstelling is dat in
2010 de criminaliteit in Nederland met 25 procent is afgenomen ten opzichte van 2002. Daarmee
zijn we al op de goede weg: de criminaliteit tegen burgers is gerekend tot en met 2007 met circa 10
procent gedaald.

Het veiligheidsbeleid van dit kabinet stelt het voorkomen van criminaliteit en het terugdringen van
overlast centraal. Het kabinet zet via het programma Veiligheid begint bij voorkomen en het
Actieplan overlast en verloedering12 hoog in op het voorkomen van problemen en spanningen
zodat mensen zich prettig en veilig voelen in de eigen buurt. Dit beleid richt zich op het versterken
van het instrumentarium zodat overlastgevers al in een vroeg stadium via een op de persoon
gerichte aanpak op het juiste pad kunnen worden geholpen. Ook de samenwerking (tussen
ketenpartners) op lokaal niveau wordt versterkt, zoals door de afstemming van de aanpak in
veiligheidshuizen. Daarnaast stimuleert het actieplan het zelfoplossend vermogen van de burgers
(denk hierbij aan buurtbemiddelingsprojecten).

Bij de Tweede Kamer is inmiddels een aantal maatregelen aanhangig ter bestrijding van
voetbalvandalisme en ernstige overlast.13 Het gaat daarbij om een bevoegdheid voor de
burgemeester tot het geven van een bevel voor de handhaving van de openbare orde en een in de
Gemeentewet op te nemen regeling voor het opleggen van een langerdurend gebieds- of
groepsverbod door de burgemeester. Daarnaast bevat het wetsvoorstel een bevoegdheid voor de
officier van justitie tot het geven van een gedragsaanwijzing ter strafrechtelijke handhaving van de
rechtsorde. Het wordt daarmee mogelijk een gebiedsverbod, een contactverbod of een

11
   Zie in dit verband ook de aanbeveling van de Commissie uitdragen kernwaarden rechtsstaat om nooit het belang van
toezicht en handhaving uit het oog te verliezen.
12
   Kamerstukken II 2007-2008, 28684, nr. 130
13
   Kamerstukken II 2007-2008, 31467, nr. 3



                                                                                                                      9
meldingsplicht op te leggen, dan wel de aanwijzing zich te doen begeleiden bij hulpverlening ter
voorkoming van nieuwe strafbare feiten.

In dit verband kan ten slotte ook het programma Alle kansen voor alle kinderen14 worden genoemd
dat tot doel heeft om alle kinderen, ongeacht hun culturele achtergrond, gezond en veilig te laten
opgroeien, hun talenten te laten ontwikkelen, een steentje te laten bijdragen aan de maatschappij
en goed voorbereid te zijn op de toekomst. Het eerder en beter bereiken van migrantenjeugd en
ouders is een belangrijk aandachtpunt en wordt verder uitgewerkt in de beleidsbrief Diversiteit in
het Jeugdbeleid die op 11 juli jl. aan uw Kamer is aangeboden.15


3.2    Binding door burgerschap

Het kabinet is van mening dat de Nederlandse taal het cement vormt van de Nederlandse
samenleving en aan de basis staat van identificatie met Nederland. Onderwijs, werk, maar ook
contacten met buurtgenoten worden ernstig belemmerd wanneer mensen de Nederlandse taal niet
spreken. Om ervoor te zorgen dat nieuwkomers direct en op gelijke voet mee kunnen doen is
inburgering van groot belang. Dit betekent dat men de taal leert en kennis maakt met de
Nederlandse samenleving. Om de kwaliteit van inburgering te verbeteren en er voor te zorgen dat
méér mensen inburgeren, is in 2007 het Deltaplan inburgering van start gegaan. Dit gaat ervan uit
dat mensen de Nederlandse taal pas echt gaan beheersen als ze er in het dagelijkse leven mee
aan de slag gaan: in winkels, op het werk en in de ontmoeting met Nederlandse stad- en
buurtgenoten. Via de speciale cursussen kunnen jaarlijks 60.000 mensen beginnen met inburgeren
en het leren van de Nederlandse taal. Om het belang hiervan te onderstrepen zijn ook twee
taalcampagnes van start gegaan: De Nederlandse taal verbindt ons allemaal en
hetbegintmettaal.nl. Hiernaast zijn er verschillende stappen gezet om taalachterstanden weg te
werken bij álle Nederlanders die moeite hebben met lezen en schrijven, zoals aandacht voor
taalontwikkeling als onderdeel van de vroeg- en voorschoolse educatie, de campagne Leersucces
en het Aanvalsplan Laaggeletterdheid 2006-2010.16

In dit verband is ook de door het kabinet beoogde versnelling van de procedure voor toelating tot
Nederland van belang, zoals neergelegd in de blauwdruk modern migratiebeleid die in juni jl. aan uw
                      17
Kamer is aangeboden. Niet alleen is het voor betrokkenen een belasting om lang te moeten
wachten op een beslissing; het betekent ook dat minder tijd beschikbaar is voor de inburgering en
het leveren van een bijdrage aan de samenleving. Het reguliere toelatingsbeleid zal opnieuw
worden vormgegeven. Hierbij is niet restrictie, maar selectiviteit het uitgangspunt. Kennismigratie
kan een belangrijke positieve bijdrage leveren aan de Nederlandse economie, cultuur en
wetenschap. In dit licht is het van belang dat de wet- en regelgeving zo wordt vereenvoudigd dat
het beleid beter aansluit bij de praktijk en de behoeften van de Nederlandse samenleving. Het
beleidskader zal dan ook worden vereenvoudigd, zodat op voorhand duidelijk kan zijn of een
aanvraag kans van slagen heeft, en beslistermijnen zullen worden verkort.

Actieve deelname aan de Nederlandse samenleving is een taak van álle burgers. Actief
burgerschap betekent niet alleen maatschappelijke participatie (kansen grijpen op onderwijs,
scholing en arbeid), maar ook betrokkenheid via politieke participatie en actieve deelname aan
maatschappelijke instellingen en het maatschappelijk middenveld. Om als actieve burger te kunnen

14
   Kamerstukken II 2006-2007, 31001, nr. 5
15
   Kamerstukken II 2007-2008, 31001, nr. 52
16
   Kamerstukken II 2005-2006, 30300 VIII, nr. 142.
17
   Kamerstukken II 2007-2008, 30573, nr. 10




                                                                                                   10
functioneren in een steeds pluriformere samenleving is kennis nodig van de rechtsstaat, de
democratische kernwaarden en de democratische processen die daaruit voortvloeien.
Burgerschapsvorming is opgenomen in de kerndoelen van het primair en voortgezet onderwijs.
Door burgerschap een plaats te geven in het onderwijs wordt beoogd dat zowel autochtone
leerlingen als migrantenleerlingen een gedeeld perspectief ontwikkelen op de rol die zij als burgers
in de Nederlandse samenleving spelen. De oprichting van het Nationaal Historisch Museum en een
Huis van de Democratie en Rechtsstaat waar bezoekers ­met name jongeren­ op allerlei
manieren kennis kunnen opdoen over de vele facetten van de Nederlandse democratie, vergroot
het draagvlak en kennis van de Nederlandse democratische rechtstaat. Ook zet het kabinet zich in
voor een Handvest voor verantwoordelijk burgerschap. Het handvest zal de belangrijkste
democratische waarden noemen en de bijbehorende verantwoordelijkheden voor instellingen en
individuele burgers.

Wie respect wil ontvangen, moet respect kunnen geven. Wie vrijheid wil, moet tolerant zijn jegens
anderen. Respectvol en tolerant met elkaar omgaan betekent niet "leven en laten leven", wegkijken
en maar alles over je heen laten komen. Respect en tolerantie ontvangen betekent niet alle ruimte
krijgen ­of nemen­ ten koste van anderen. Respect en tolerantie betekenen een actieve
betrokkenheid op elkaar: rekening houden met de ander, maar die ander ook aanspreken, elkaar
ruimte geven maar ook elkaar geen overlast bezorgen. In het beleidsprogramma noemt het kabinet
een aantal wegen waarlangs het een respectvolle omgang van mensen met elkaar wil bevorderen.
Juist omdat het dat samen met betrokken burgers wil doen biedt het proces zelf ook weer
mogelijkheden tot identificatie.

Identificatie met Nederland stimuleert het kabinet ook door aandacht te vragen voor bijzondere
momenten waarop die gemeenschappelijkheid centraal staat: Koninginnedag, Bevrijdingsdag,
Prinsjesdag, Koninkrijksdag. Juist die dagen verwijzen naar ankerpunten van de gezamenlijke
identiteit, waaronder de rechtsstaat en de universaliteit van de in Nederland aanvaarde
kernwaarden. Actieve verspreiding van kennis van en betrokkenheid bij de Nederlandse
geschiedenis, recent door het opstellen van de canon van de Nederlandse geschiedenis, ziet het
kabinet eveneens als een belangrijk middel om betrokkenheid bij Nederland te stimuleren. De in
2005 ingevoerde naturalisatieceremonie is bedoeld om het verkrijgen van Nederlanderschap te
vieren als een belangrijk moment in het leven van migranten.

Bijzondere stimulansen worden tevens geboden door sport, spel, kunst en cultuur. Grote sport- en
culturele evenementen bieden velen bij uitstek een mogelijkheid zich met een hele gemeenschap
verbonden te voelen. Maar ook op kleinere schaal, met name bij actieve deelname, leveren sport,
spel, kunst en cultuur identificatiemogelijkheden. Verenigingen ­en vooral op het terrein van sport
verbinden die miljoenen mensen­ bieden een plaats waar mensen elkaar ontmoeten en zich
identificeren: allereerst met de eigen vereniging, maar ook met de grotere gemeenschap. Sport
neemt hier, zowel door de grote hoeveelheid mensen die er actief bij betrokken zijn als door het
competitieverband, een bijzondere plaats in. Met de beleidsbrief De kracht van sport van oktober
200718 heeft het kabinet dan ook een groot aantal maatregelen aangekondigd om de
sportbeoefening te bevorderen; het programma Meedoen allochtone jeugd door sport19 bevordert
in het bijzonder ontmoeting, binding, opvoeding en integratie van allochtone jeugd ­en hun
ouders­ in en door sport. Ruim 500 sportverenigingen maken zich in dit kader sterk voor een forse
toename van de sportdeelname onder deze jongeren en ook voor opvoedings- en integratiedoelen.


18
     Kamerstukken II 2007-2008, 30234, nr. 13
19
     Kamerstukken II 2005-2006, 30234, nr. 4



                                                                                                 11
Het kabinet wil mensen primair als burger in de Nederlandse samenleving benaderen, en niet als
vertegenwoordiger van een specifieke groep. Dit laat onverlet dat het soms nodig is om
afzonderlijke groepen apart te benoemen en aan te spreken. Het aanpakken van problemen begint
immers met het op de juiste wijze benoemen ervan, en dus is het in beleid essentieel dat
categorieën worden gehanteerd die precies, relevant en functioneel zijn voor de context waarin zij
worden gebruikt. Dit betekent dat iemand op school als leerling wordt aangesproken, op het werk
als werknemer, in bepaalde situaties als christen of moslim en in weer andere situaties als Turkse
Amsterdammer, Achterhoeker ­ of Nederlander zonder meer.


3.3        Binding door gezin en onderwijs

Voor nieuwe generaties zijn het gezin en de school bij uitstek belangrijke plekken van identificatie.
Centraal staat nu in veel gezinnen en scholen het ontwikkelen van het vermogen bij kinderen om
bindingen te creëren met de samenleving door mee te doen, te onderhandelen, de regels te
kennen en te stellen en ook zelf invloed uit te oefenen, bijvoorbeeld op de afspraken binnen het
gezin, de school of de sportvereniging. Het voordeel hiervan is dat dit kinderen voorbereidt op een
sterk veranderende, steeds pluriformere samenleving. Tegelijkertijd brengt dit een zware opgave
mee voor ouders en de samenleving als geheel. Ouders, familie, scholen, burgers,
maatschappelijke organisaties en overheden hebben alle de (mede)verantwoordelijkheid om
gewenste waarden te onderhouden en actief uit te dragen.

         Gezin
Het gezin is een belangrijke plaats voor het kweken van betrokkenheid bij de samenleving. In het
gezin worden kinderen opgevoed, wordt geborgenheid geboden en worden essentiële waarden en
normen voorgeleefd en overgedragen aan volgende generaties. Ouders moeten daar voldoende
tijd, middelen en vaardigheden voor hebben. Met het beleid ten aanzien van het gezin, waaronder
het tot stand brengen van de Centra voor Jeugd en Gezin, de diverse vormen van financiële
ondersteuning, de maatregelen rond opvoedingsondersteuning en de aandacht voor de negatieve
gevolgen van echtscheiding, zet het kabinet hier stevig op in. Het programma Alle kansen voor alle
                         20
kinderen van juni 2007        biedt hiervoor het algemene kader; in de brief Diversiteit in het Jeugdbeleid van juli
      21
2008 wordt een nadere uitwerking gegeven naar een beleid dat ook migrantenkinderen en hun ouders goed
bereikt.


         Schooluitval
Het kabinet onderschrijft dat de school een belangrijk domein is waarbinnen identificatie met de
Nederlandse samenleving tot stand kan komen. Voortijdig schoolverlaten vormt een hardnekkige
belemmering voor betrokkenheid van groepen jongeren met de samenleving. Deze problematiek
vindt veelal haar oorsprong in eerder opgelopen taalachterstand bij de start van het basisonderwijs,
die in het voorgezet onderwijs niet meer wordt ingehaald. In combinatie met het ontbreken van een
stabiele gezinssituatie, `verkeerde' vrienden en een verstoorde persoonlijkheidsontwikkeling kan
deze achterstand leiden tot het voortijdig afbreken van de opleiding. Deze jongeren lopen het risico
niet alleen op school maar uiteindelijk ook op de arbeidsmarkt uit de boot te vallen.

In november 2007 presenteerde het kabinet zijn beleid om voortijdige schooluitval aan te pakken in
het programma Aanval op de schooluitval: een kwestie van uitvoeren en doorzetten.22 In
convenanten met de regio (contactgemeenten én scholen, zowel mbo als vo) wordt

20
   Kamerstukken II 2006-2007, 31001, nr. 5
21
   Kamerstukken II 2007-2008, 31001, nr. 52
22
   Kamerstukken II 2007-2008, 26695, nr. 42



                                                                                                                   12
overeengekomen hoe het doel, een vermindering van 40% van het aantal nieuwe voortijdig
schoolverlaters aan het eind van schooljaar 2010-2011, wordt bereikt. Er is een prestatiebeloning
van  2.000,- per daadwerkelijk verminderde nieuwe voortijdige schoolverlater (no cure, no pay) en
een vaste bijdrage voor de uitvoering van programma's. De scholen moeten hun maatregelen
inhoudelijk afstemmen met gemeenten om in aanmerking te komen voor een financiële bijdrage.
Het pleidooi van de WRR voor creatievere manieren van omgaan met het probleem van de
schooluitval vindt hierin al gevolg, zoals het verspreiden van bestaande maatwerktrajecten met
bewezen meerwaarde, het verbeteren van de aansluiting tussen vmbo en mbo, het intensiveren
van de leerlingbegeleiding en het invoeren van de leerwerkplicht tot 27 jaar als stok achter de deur
voor jongeren om door te gaan met onderwijs tot ze een diploma behalen. Verder zijn er
experimenten gestart met verlengde vmbo-trajecten vanaf het derde leerjaar, waardoor leerlingen
hun startkwalificatie kunnen halen zonder de vaak problematische overgang naar een groot
regionaal opleidingscentrum (ROC) en omgekeerd (waarbij leerlingen via een geïntegreerd traject
op een ROC een startkwalificatie kunnen halen).

         Segregatie
Naast voortijdig schoolverlaten noemt de WRR schoolsegregatie een belemmering voor de
identificatiemogelijkheden van groepen jongeren en hun ouders. Schoolsegregatie verhindert dat
mensen van verschillende groepen überhaupt met elkaar in contact komen. De WRR pleit er voor
naast de vrijheid van onderwijs de opdracht tot verbinden als leidend principe van het
onderwijsbeleid te hanteren. De zogenaamde verbindingsopdracht, als opdracht aan de school tot
samen leren, zou wettelijk verankerd moeten worden.

Het kabinet heeft zich ten doel gesteld de segregatie in het onderwijs te bestrijden. Daarbij is het
zich ervan bewust dat de onderwijssegregatie nauw verbonden is aan de concentratie van etnische
groepen met een laag inkomen en opleidingsniveau in bepaalde wijken. Maar ook de schoolkeuze
kan een belangrijke rol spelen bij het instandhouden van schoolsegregatie, bijvoorbeeld door
kinderen buiten de wijk naar school te laten gaan, de zogenaamde `witte vlucht'. Een sterk
orthodoxe grondslag kan eveneens de mogelijkheid voor ontmoetingen tussen verschillende
groepen belemmeren, wanneer deze scholen ook gekenmerkt worden door een eenzijdige
etnische samenstelling. Het kabinet huldigt desondanks het standpunt dat er niet getornd moet
worden aan de grondwettelijk verankerde vrijheid om het gewenste onderwijs te kunnen geven.
Mensen dienen de vrijheid te hebben zich op die wijze te organiseren en te verbinden die aansluit
bij hun interesses en wereldbeeld. Maar dat moet wel gebeuren binnen de grenzen en eisen die
voor iedereen gelden. Hoogwaardig onderwijs moet voor iedereen toegankelijk zijn en mag niet
afhangen van de samenstelling van de school. Dit betekent dat Islamitische scholen hetzelfde
bestaansrecht hebben als andersoortig bijzonder onderwijs (christelijk, joods, humanistisch,
antroposofisch etc.), mits het curriculum voldoet aan de kerndoelen die bij wet zijn vastgelegd.
Deze zijn op hun beurt weer gestoeld op de kernwaarden van de Nederlandse samenleving en
beogen bij te dragen aan de pluriforme samenleving die Nederland is.

In de brief aan de Tweede Kamer van 8 februari 2008 presenteert het kabinet zijn plannen om de
segregatie in het basisonderwijs aan te pakken.23 Investeren in de kwaliteit van het onderwijs staat
daarbij voorop. Hiernaast is het beleid erop gericht de bevolkingssamenstelling in de 40 wijken van
de wijkaanpak minder eenzijdig te maken. Het tegengaan van woonsegregatie is van groot belang
om te komen tot meer gemengde scholen. Verreweg de meeste ouders kiezen voor een school in
de wijk waar zij wonen. Sinds het schooljaar 2006-2007 hebben gemeenten en schoolbesturen de


23
     Kamerstukken II 2007-2008, 31 293, nr. 3



                                                                                                 13
wettelijke verplichting om jaarlijks met elkaar te overleggen over te nemen maatregelen tegen
segregatie. In mei 2007 is het Kenniscentrum Gemengde Scholen geopend. Dit ondersteunt
gemeenten en scholen bij de ontwikkeling van een concrete aanpak van segregatie in het
onderwijs. Daarnaast zullen initiatieven van ouders worden aangemoedigd en ondersteund om een
verandering in de samenstelling van scholen te bewerkstelligen. Via pilots zal worden onderzocht
of invoering van vaste aanmeldmomenten mogelijk en wenselijk is. Het bevorderen van contact
tussen leerlingen van verschillende achtergronden en diverse culturen wordt gestimuleerd via
vriendschapsscholen, waarbij kinderen vanuit verschillende met elkaar gezamenlijke activiteiten
uitvoeren.

         Onderwijs en burgerschap
Scholen hebben bovendien de opdracht hun leerlingen voor te bereiden op deelname aan de
pluriforme samenleving die Nederland is. Sinds 1 februari 2006 zijn scholen wettelijk verplicht actief
burgerschap en sociale integratie te bevorderen en de leerlingen kennis te laten maken met
verschillende achtergronden en culturen van leeftijdsgenoten. Hiermee wordt al een invulling
gegeven aan de door de WRR voorgestelde wettelijke verbindingsopdracht. Voor het onderwijs is
over actief burgerschap en sociale integratie speciaal leermateriaal ontwikkeld door de Stichting
Leerplan Ontwikkeling (SLO). Dit materiaal zal in 2008 beschikbaar komen voor het primair
onderwijs. De verplichting dat scholen moeten bijdragen aan de integratie van leerlingen geldt voor
alle scholen en moet volwaardige deelname aan de samenleving mogelijk maken. De
onderwijsinspectie houdt toezicht op de naleving van de wettelijke opdracht tot bevordering van
integratie en burgerschap door middel van het toezichtkader actief burgerschap en sociale
integratie.


3.4       Binding door werk

Zoals het kabinet in zijn beleidsprogramma Samen werken, samen leven aangeeft, is het
verrichten van betaald werk een van de sleutels tot het bevorderen van verbindingen. Het kabinet
ziet in de aanbevelingen uit het in februari 2007 gepresenteerde advies van de Sociaal
Economische Raad (SER) Niet de afkomst maar de toekomst. Een betere positie voor allochtone
jongeren op de arbeidsmarkt belangrijke aanknopingspunten voor het verbeteren van de
arbeidspositie van allochtone jongeren. In de kabinetsreactie op het advies van juli 2007 wordt op
deze aanbevelingen ingegaan.24

         Scherp antidiscriminatiebeleid
Het kabinet onderschrijft de visie van de WRR en de SER dat het voortwoekeren van discriminatie
op de arbeidsmarkt een directe en confronterende vorm van uitsluiting is die funest is voor de
samenleving. Discriminatie ­of dat nu basis is van herkomst, geloof, sekse of seksuele
geaardheid­ is te allen tijde onaanvaardbaar. Discriminatie belemmert mensen met elkaar in
contact te komen, leidt tot talentverspilling en draagt het gevaar in zich dat mensen marginaliseren
of zelfs radicaliseren. Erbij horen en toegang krijgen tot werk zijn belangrijke vereisten om je
ergens geaccepteerd en thuis te kunnen voelen. Iedereen in Nederland heeft dan ook het recht op
gelijke behandeling en vrijwaring van discriminatie. De overheid heeft dan ook de plicht
discriminatie op de arbeidsmarkt, daar waar het zich voordoet te bestrijden. Daarbij heeft niet
alleen de overheid een rol, maar ook vele andere partijen zoals gemeenten, sociale partners en
individuele werkgevers en werknemers.



24
     Kamerstukken II 2006-2007, 29544 en 27223, nr. 99



                                                                                                   14
        Verbeteren arbeidsparticipatie van migranten
Het kabinet heeft kennisgenomen van de voorstellen van de WRR om tegenstellingen op de
arbeidsmarkt te bestrijden. In de Integratienota 2007-2011 zet het kabinet zijn beleid uiteen om de
arbeidsparticipatie van specifieke groepen nieuwkomers (jongeren, vrouwen en vluchtelingen) te
bevorderen. In de begroting van 2008 middelen gereserveerd om sociale vaardigheden onder
werkzoekende jongeren van niet-Nederlandse herkomst te versterken. Binnen het onderwijs
vormen sollicitatievaardigheden en sociale vaardigheden al een integraal onderdeel, maar nu
worden de methodieken nog eens extra onder de aandacht gebracht van gemeenten. Ook gaat het
kabinet wethouders en andere lokale partners stimuleren tot banenplannen te komen.

Tijdens de participatietop van juni 2007 zijn diverse afspraken gemaakt om de arbeidsparticipatie
van migranten verder te stimuleren. Zo is met de G-4 afgesproken dat deze gemeenten,
aansluitend bij de bestaande gemeentelijke activiteiten, zich zullen inspannen om moeilijk
plaatsbare jongeren zonder startkwalificatie naar werk te begeleiden. Het kabinet ondersteunt
diverse projecten die zich richten op het verbeteren van de stagepraktijk voor migrantenjongeren
en op de inzet van promotieteams die zich richten op het verbeteren van de beeldvorming van
deze jongeren bij werkgevers, de werving van stage- en leerwerkplekken en banen. In de
promotieteams wordt ook veel aandacht besteed aan het bijbrengen van softskills en het
stimuleren van jongeren om hun schoolopleiding af te maken. Tijdens de participatietop is tevens
afgesproken dat de Stichting van de Arbeid ongelijke behandeling bij werving en selectie tegengaat
en dat zij investeert in een betere onderlinge verstandhouding op de werkvloer.

Tot slot is op de participatietop afgesproken dat het kabinet in samenspraak met de werkgevers en
migrantengemeenschappen een campagne zal ontwikkelen en, op basis van de uitkomsten van de
Discriminatiemonitor, een strategie die de bewustwording van vooroordelen moet vergroten en
positieve beeldvorming moet versterken. De beeldvormingscampagne zal zich zowel richten op het
tegengaan van negatieve beeldvorming van werkgevers ten aanzien van niet-westerse migranten,
als op het tegengaan van negatieve beeldvorming van niet-westerse migranten ten aanzien van
bepaalde sectoren en werkgevers. De campagne zal gericht worden ingezet afhankelijk van
verschillende behoeften en problemen in bepaalde regio's en sectoren en van verschillende
migrantengroepen. Aangezien de overheid zelf een voorbeeldfunctie heeft bij de gelijke
behandeling en gelijke toegang tot arbeid, is in 2006 een integrale benadering ontwikkeld om de
diversiteit binnen het rijkspersoneel te vergoten. Concreet wil het huidige kabinet het aantal
mensen van bi-culturele afkomst in de rijksdienst vergroten met 50% in 2011. Ook wil het kabinet
ervoor zorgen dat zij in aanmerking komen voor 50% van de aangewezen 1.000 stageplaatsen op
mbo/hbo/wo-niveau en de 1.000 werkervaringsplaatsen voor mensen met een lange afstand tot de
arbeidsmarkt. Daarnaast heeft het kabinet diversiteit als speerpunt voor de publieke sector
benoemd.



4     Tot besluit

Het kabinet kan en wil niet voorschrijven wat Nederlanderschap voor mensen betekent en op welke
wijze mensen zich identificeren met Nederland. Het kabinet kan en wil wél aangeven op welke
wijze het binding in de samenleving wil bevorderen. Met de nadruk op de kernwaarden van de
Nederlandse rechtsstaat als grondslag voor vrije identificatie draagt het kabinet een boodschap uit
over identiteit die insluitend is en ruimte laat voor de vele manieren waarop mensen zich legitiem
kunnen identificeren. Het is aan de overheid om zich in te zetten voor een samenleving die
uitnodigt en insluit ­ mede door een veilige woon- en werkomgeving en voldoende kansen op



                                                                                                15
onderwijs en arbeid. Het is de verantwoordelijkheid van iedere burger om daadwerkelijk mee te
doen en zich betrokken te tonen bij de Nederlandse samenleving.




                                                                                                16